Bel: 06-43545264

Blog

Veel gebruikte vaktermen

Je huis is toe aan een schilderbeurt, binnen of buiten. Wat nu? Je gaat rustig zitten achter je computer om op zoek te gaan naar een schilder. Je vraagt eens om je heen en verzamelt vervolgens van al die schilders een offerte.

In deze offertes en op alle websites staan allemaal verschillende vaktermen, welke niet altijd even duidelijk zijn.

Hieronder noem ik de veelgebruikte vaktermen onder schilders;

Aanzet – plaats waar een onderdeel van een constructie begint of aansluit: bij schilderen het deel van de ondergrond waar je de kwast op de ondergrond plaatst, of daar waar een verse verflaag een opgedroogde verflaag overlapt.

Afdekken – geheel bedekken: dek bij het werken met vooral muurverven, plafondverven en verf afbijt de werkomgeving af om deze te beschermen tegen spatten en verfafval.

Afschilderen – beschilderen met een deklaag: het aanbrengen van de laatste laag verf binnen de opbouw van een verfsysteem.

Afschrapen – schrapend verwijderen: het verwijderen van de oude verflaag met behulp van een verfkrabber en brander of föhn.

Baan – gedeelte tussen twee naden: bij behang de naden eventueel -na plakken- narollen met een nadenroller. Door bij het schilderen van verven vlot door te werken, de verf vol op te zetten en goed te verdelen, wordt het risico op banen van de roller zoveel mogelijk voorkomen.

Besnijden – rechte lijn met kwast of penseel: besnijden is het trekken van een strakke lijn met verf, langs/op plafondkanten, kozijnen en plinten. Gebruik hierbij twee kwasten; één voor het grovere en één voor het fijne werk.

Componentenlakken – lak die bestaan uit verschillende delen, die kort voor het gebruik met elkaar gemengd worden. Door een chemische reactie hard deze verf of lak tijdens het drogingsproces uit. Slijtvast en duurzaam.

Corrosie – aantasting van metalen: ook wel roesten genoemd. Bij behandeling roestvrij maken, met een loodmenie en ijzermenie voor behandelen en vervolgens 2 maal afschilderen. Een kwalitatief minder alternatief kan een product als Hammerrite zijn.

Craquelé – kleine barstjes: ontstaan bij het schilderen door het aanbrengen van de afdeklaag, vóórdat de onderlaag voldoende is gedroogd. Kan ook bewust worden toegepast om het craquelé-effect te verkrijgen.

Daklijst – uitspringende rand van het dak.

Droging – de eigenschap dat een verflaag verandert van een vloeibare of poedervormige laag in een vaste laag. We praten over een chemische reactie of fysische droging (door lucht).

Egaliseren – effenen: binnen het schilder- en behangwerk zijn hier plamuur en muurvuller de meest geschikte producten voor. Voor zowel schilderen als behangen is een strakke ondergrond van belang.

Epoxyhars – bepaalde bij verhitting hard wordende kunsthars.

Fixeren – vastmaken: bij het schilderen van poederende muren deze eerst voor behandelen met fixeer, om de ondergrond vast te zetten.

Gevel – buitenmuur: meeste toegepast bij schilderen: houten rabat delen of acryl-muurverf. Bij acryl muurverf in een buitenkwaliteit, is het van belang de muren eerst te reinigen met een hogedrukspuit en eventueel voor te behandelen met isoleer om doorslaan van inhoudsstoffen uit de muur te voorkomen.

Gipsen – met gips bepleisteren: ook toegepast om gipsen ornamenten en plafondprofielen van gips te ‘verlijmen’.

Hechting – eigenschap van een verlaag of verfsysteem om zich op een ondergrond te hechten.

Houten – schildertechniek voor het imiteren van houtsoorten.

Kitten – met kit aaneenlijmen: bij het schilderen vooral acrylaat kit; gebruikt bij afdichten van glaskanten en dichtzetten van naden en kieren. Acrylaat kit moet afgeschilderd worden.

Krimpen – samentrekken: het is bij behangen van belang de lijm op de voorgeschreven dikte aan te brengen en de aangegeven inweek tijd van de lijm op het behang in acht te nemen. Door inlijmen en inweken zet het behang enigszins uit, waardoor deze -na droging op de muur- mooi strak opdroogt.

Latexverf – verf op waterbasis.

Lijnolie – olie uit lijnzaad: vroeger een veelvoorkomend bestanddeel van de verf. Droogt trager dan terpentine, waardoor de verf langer (en mooier) doorvloeit.

Marmeren – schildertechniek voor het imiteren van marmer en natuursteen.

Melkglas – melkwit glas: door de aangebrachte coating op melkglas wordt een egale verstrooiing van het licht verkregen. Zeer geschikt voor verlichting.

Nerf – draad van het hout: schuur in principe altijd in de lengterichting van het hout. Hetzelfde geldt voor het schilderen, zeker als het een transparant product (transparante beits of lak) betreft.

Onthechten – losmaken: bij schilderen ten gevolge van vocht, of het aanbrengen van een verf op een te vuile ondergrond.

Ornament – versiersel: geeft je interieur en plafonds een monumentale of historische uitstraling: verkrijgbaar in gips of kunststof. Op eenvoudige wijze aan te brengen met gipsplamuur of kit en af te werken met de meeste gangbare verven.

Oxidatie – roesten: een verbinding aangaan met zuurstof: zie corrosie en loodverf.

Plamuren – glad maken: te gebruiken voor het repareren en egaliseren van steenachtige of houten ondergronden. De schilder gebruikt voornamelijk muurvuller, lakplamuur en twee-componenten plamuur.

Sausen – het aanbrengen van een muurverf op een steenachtige ondergrond.

Schuurpapier – opzuiveringsmiddel: onmisbaar binnen de voorbehandeling van het schilderwerk. De groftes worden aangeduid in korrels per cm2. Zo is b.v. korrel 40 zeer grof, en korrel 2400 (waterproof) zeer fijn. Bij schilderwerk nooit meer dan 60 korrels verschil gebruiken, anders effent de ene korrel de krassen van de andere niet. (dus b.v. maximaal 100 – 160 of 180 – 240)

Stopverf – deeg van krijt en lijnolie: bij oudere woningen met enkel vensterglas nog veel toegepast; bij woningen met dubbel-glas vervangen door glaslatten en beglazingskit.

Systeem – stelsel: het beste schilder resultaat behaal je door een juiste en goede opbouw van het verfsysteem

Verfsysteem – de opbouw – van kaal hout tot en met de eindafwerking- met verfproducten (gronden, plamuren, aflakken)

Verstek – in een hoek van 45 graden: over het algemeen het meest onderhoudsgevoelig bij schilderwerk. Zorg dat verstekken -voor het afschilderen- goed gedicht zijn met acrylaat kit, zodat vocht geen kans krijgt in de ondergrond te dringen en houtrot te veroorzaken.

Verweren – door het weer aangetast: zichtbare problemen in de verflaag zijn makkelijk te signaleren. Minder zichtbaar is het als de verf gaat verpoederen. Heeft de verf zijn glans verloren en geeft de verf (bij ramen lappen) af, dan is de verf aan het verpoederen en heeft zijn beste tijd gehad. Dit is een goede indicatie om opnieuw te schilderen, ook al zijn er verder nog geen zichtbare gebreken.

Vloeiing – stroming: de mate waarin een verf vloeit. Een hoogglansverf is over het algemeen vetter dan b.v een beits en zal dus ook een mooier en meer streep loos resultaat geven. Een latex daarentegen vloeit niet of nauwelijks, zodat je hiermee een mooi resultaat bereikt door de verf vol op te zetten en gelijkmatig te verdelen.

Zie ook het volledige artikel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *